Deze site is een initiatief van de Leefbaarheidsgroep Balgoy
2000 © Copyright LBG Balgoy
The@ de Valk
De film Mariken van Nieumeghen is geïnspireerd door ons misschien wel beroemdste middeleeuwse
toneelspel. Het thema van dit stuk is een bekeringsgeschiedenis. Het jonge meisje Mariken wordt door
haar oom, een pastoor in de buurt van Nijmegen, naar deze stad gestuurd om boodschappen te doen:
kaarsen, olie, azijn, zout, lucifers. Omdat de weg lang is, raadt de pastoor haar aan te overnachten bij
zijn zuster in Nijmegen. Als Mariken haar inkopen heeft gedaan, vraagt ze haar tante om onderdak
voor de nacht. Maar deze tante is vanwege de politieke ontwikkelingen in haar land buiten zich zelf van
woede en met de gemeenste scheldwoorden jaagt ze Mariken van haar huis weg. Geheel radeloos
dwaalt Mariken buiten de stad rond, komt de duivel tegen en geeft zich aan hem over. Nu leidt zij 7 jaar
lang een zeer zondig leven te Antwerpen. Maar dan wordt het heimwee naar het land van Maas en de
Waal haar te machtig. Met de duivel gaat ze terug naar Nijmegen en komt daar juist aan als er de
Maria-ommegang is. Bij het zien van het toneelspel over de grootheid van Gods barmartigheid komt
Mariken tot inkeer en gaat ze boete doen voor haar zonden.
Mariken is het nichtje van pastoor Ghijsbrecht. Haar moeder was evenals haar tante in Nijmegen een
zuster van deze pastoor. Na de dood van haar moeder zorgde zij voor zijn huishouden. Ghijsbrecht was
dus pastoor in de buurt van Nijmegen. Nu zegt de schrijver van het middeleeuwse stuk, dat hij met
name pastoor was te Venlo. En zo is hij de geschiedenis ingegaan: pastoor Ghijsbrecht van Venlo.
Maar de schrijver van het stuk woonde zelf te Antwerpen en uit alles blijkt dat hij niet zo erg goed op de
hoogte was met de streek rond Nijmegen. Anders had hij ook niet kunnen zeggen, dat Venlo 3 mijlen of
2 grote mijlen en dat wil zeggen iets mer dan 3 uur te voet van Nijmegen vandaan lag. Pastoor
Ghijsbrecht kan dus niet in Venlo gewoond hebben. Maar waar dan wel?
Oude bronnen
Een 10-tal jaren geleden heeft dr. W.A.F. Janssen uit Maastricht deze ongerijmdheid aan de orde
gesteld. Hij ging op onderzoek uit naar de woonplaats van pastoor Ghijsbrecht en aan de hand van
allerlei gegevens om oude bronnen kwam hij tot de veronderstelling, dat Ghijsbrecht pastoor van
Balgoy geweest kon zijn. Uit het toneelstuk zelf kunnen we wel iets over de woonplaats van Ghijsbrecht
en Mariken te weten komen. Ze lag 3 mijlen of 2 grote mijlen,
dat is iets meer dan 3 uur te bvoet van Nijmegen vandaan. er wordt verder aangegeven, dat de weg
door een vrij woest en onbewoonde streek liep met struikgewas en heggen. uit de scheldwoorden van
tante blijkt, dat het een plaats was, waar de meisjes in het koren flirtte met de jongens. Daarbij roept de
tante uit: ik had liever dat je zo diep in de Maas lag als dit huis hoog is en dat de vissen, die er
zwemmen, je opaten. Na de bekering van Mariken blijkt dat Ghijsbrecht eerst naar de deken van
Nijmegen en dan naar de aartsbisschop van Keulen moet om vergeving voor haar zonden te vragen.
Een opmerkelijke bijzonderheid is, dat de plaats waar Ghijsbrecht en Mariken wonen, in een speciale
versvorm staat, het rondeel, en daarin moet rijmen op het woord no, dat de betekenis heeft van
öngaarne", "node". Venlo rijmt op no, maar als we Venlo vanwege de geografische onmogelijkheid
moeten uitsluiten, moet het in de buurt van Nijmegen een andere plaats aan de Maas zijn, die rijmt op
no.Samenvattend kunnen we dus zeggen, dat de tekst van het toneelspel spreekt van een landelijk
dorp aan de Maas, niet al te ver van Nijmegen, dat rijmt op no.
Teersdijk
Bij zijn onderzoek in de oude bronnen kwam dr. Janssen tot de veronderstelling, dat Balgoy de
woonplaats van Ghijsbrecht en Mariken kon zijn. Balgoy is een dorp aan de Maas. In de 15de eeuw lag
het op 14,8 km van de Nijmeegse Molenpoort aan het begin van de Molenstraat, die in 1879 werd
gesloopt. De weg van Balgoy naar Nijmegen liep toen over de zeer eenzame en 2,5 km lange
Teersdijk, de enige weg die door het teersbroek liep.
Door de wegverlegging is de afstand van 14,8 km later met een halve km verkort. Om nu de
woonplaats van Mariken en Ghijsbrecht te vinden, kunnen we een cirkel met een straal van 15 km rond
de oude kern van Nijmegen trekken. Dan blijkt alleen Balgoy aan de voorwaarden te voldoen. Immers
Ghijsbrecht en Mariken kunnen niet ten noorden van de Waal gewoond hebben., omdat volgens de
tekst Mariken op weg naar de markt geen rivier hoefde over te steken. Verder zijn alle plaatsen ten
oosten en zuidoosten van Nijmegen uitgesloten, omdat men in die richting na 15 km buiten het
dekenaat van Nijmegen komt, behalve Middelaar, maar deze plaats had voor 1500 geen eigen
pastoor. De plaatsen ten westen en zuidwesten zijn uitgesloten, omdat ze ofwel niet aan de Maas lagen
ofwel binnen 15 km aan de overkant van de Maas liggen. Van de plaatsen ten zuiden van Nijmegen
komt dan alleen Balgoy in aanmerking, omdat het de enige plaats is die rijmt op no. Balgoy voldoet ook
andere voorwaarden, waarover in de tekst sprake is. De scheldwoorden, die de tante Mariken toevoegt
hebben betrekking op de landelijke sfeer van het dorp De Teersdijk is de woeste en onbewoonde streek
met struikgewas en heggen, waar de duivel Mariken aanspreekt. Balgoy behoorde tot het dekenaat
Nijmegen en viel onder het aartsbisdom Keulen. Bij dit alles komt dat de naam Ghijsbertus een vrij veel
voorkomende naam in het Gelderse was.
Ingewikkeld
We hebben al gezegd, dat de schrijver van het stuk in Antwerpen woonde. Hoe komt iemand uit
Antwerpen erbij een stuk te schrijven dat (tegelijkerwijze) in Balgoy en Nijmegen speelt? Hiermee
komen we op een ingewikkelde zaak, die we vereenvoudigd als volgt kunnen voorstellen.
Er was eerst een schrijver in Antwerpen, die het verhaal van Mariken verteld heeft. Deze schrijver was
uitstekend op de hoogte van de Gelderse toestanden, waarschijnlijk omdat hij contact had met het
Bourgondische hof. Een van de invloedrijke heren aan het Bourgondische Hof was de heer van
Perweys de Duffle (een gebied tussen Nijmegen en Kleef) en Kranenburg, die ooit een leenheer was
van de hertog van Brabant, waarbinnen ook Antwerpen lag. deze heer van Perweys bezat rechten op
de heerlijkheid Balgoy en Keent, waarvan de zeer oude dorpsparochie Balgoy het hoofddorp was. In
1406 komt de heerlijkheid aan de familie van Oy, waarbij in 1470 Herbert van Oy zijn vader Wilhelm
van Oy opvolgde als heer van Balgoy en Keent. Deze Herbert van Oy is een edelman, graaf Arnoud
van Gelre steunde de in zijn strijd tegen zijn zoon Adolf, een strijd waar het Bourgondische hof aan de
zijde van Arnoud stond. In 1472 wordt Herbert dan ook met name genoemd bij de edelen, die aan de
kant van Arnoud staan. Het Bourgondisvche Hof is dus het punt van samenkomst geweest tussen
Herbert van Oy en de schrijver van het prozaverhaal over Mariken. Waarschijnlijk heeft herbert van Oy
aan de schrijver over de Gelderse toestanden verteld en ook die van het meisje Mariken uit Balgoy. De
schrijver heeft daar een lopend prozaverhaal van gemaakt.
Nu is er na hem een dichter gekomen, die dit verhaal in proza heeft omgewerkt in poëzievorm tot een
toneelstuk. Maar deze 2de schrijver was niet meer op de hoogte van de Gelderse toestanden. in
Antwerpen had hij nooit van het kleine plaatsje Balgoy gehoord en daarom maakte hij er Venlo van, dat
men in Antwerpen wel kende. Zo werd de beroemdste pastoor van Balgoy "verplaatst" en werd Mariken
uit de omgeving gehaald waar ze thuishoorde.
Dichters liegen de waarheid. Voor de Antwerpse dichter was het een grotere waarheid, dat God aan
een meisje haar zonden vergaf dan dat het zondige meisje uit Balgoy kwam. Maar als dat meisje toch
toevallig uit Balgoy komt, mag de niet-dichter die waarheid ook vertellen.
Jo Heymans
Mariken van Nimwegen.
Een litterair-historische speurtocht naar Mariken's woonplaats
Verplaatst